SAMENVATTING SCHETS DISCUSSIE NOTA

Opgesteld door de reflectiegroep 'Sociale Zekerheid' van State Of The Arts (SOTA) (laatst gewijzigd op 18 februari 2021)

De tekst die de reflectiegroep sociale zekerheid van State of the Arts (SOTA) hier voorlegt is een schets voor een discussienota. Deze discussienota zal steeds bijgewerkt worden en de uitgang vormen van een collectief schrijftraject volgens een specifieke methodiek en in verschillende stadia.

De tekst wil alle verschillende disciplines van de kunsten graag mee betrekken. Voorbeelden uit de beeldende kunst komen in deze tekst aan bod, maar dit zal verder aangevuld worden met voorbeelden uit andere disciplines. Aanpassingen aan de sociale zekerheid mogen de meest precaire werkers in de kunsten niet over het hoofd zien. De hervormingen zouden met de eigenheden van verschillende disciplines rekening moeten houden en zou geen enkele kunstenaar of kunstwerker van de regen in de drop mogen brengen.

De hervorming van de sociale zekerheid voor kunstenaars en kunstwerkers kan moeilijk ‘geïsoleerd’ gezien worden van andere aspecten die invloed hebben op de sociaal economische situatie van de kunstenaar. Er is nood aan een integrale aanpak en interministerieel overleg. Deze integrale aanpak naar de verschillende ministeries zal mee de structuur van deze tekst bepalen.

In een aantal andere voorstellen voor de hervorming van het 'kunstenaarsstatuut' die nu circuleren wordt de verantwoordelijkheid voor precariteit soms onterecht bij de kunstenaar zelf gelegd. Kunstenaars zouden ‘geresponsabiliseerd’ moeten worden om meer zelf te ondernemen. Dit strookt echter niet met de realiteit van hun atypische arbeid. Het is de onregelmatigheid eigen aan vele disciplines die het moeilijk maakt om de grote diversiteit aan kunst activiteiten te vertalen naar één standaard wetgeving. Bijvoorbeeld in de regelgeving voor het huidige 'kunstenaarsstatuut' moeten er 3 prestaties bewezen worden om het statuut elk jaar te verlengen. Dit zou volgens deze voorstellen de begunstigden ‘overbeschermen’. Daarom stellen zij voor de te bewijzen prestaties drastisch op trekken, naar 156 dagen per jaar, of meer gematigd, 156 dagen per drie jaar (onder ‘cachet’ of arbeidsovereenkomsten). Maar dat voorstel strookt niet met de realiteit van de lange, en vaak on(der)betaalde werkcyclussen van een aantal disciplines zoals bijvoorbeeld in experimentele film, beeldende kunst of dans.

Men kan zich afvragen waarom in deze circulerende voorstellen precariteit wordt bestreden met nog meer precariteit. Studies tonen namelijk aan dat het netto mediaan inkomen van bijvoorbeeld beeldende kunstenaars slechts 13.700 euro is, een bedrag waar hun uitkeringen uit het ‘kunstenaarsstatuut’ reeds mee inbegrepen zijn. Lage jaarlijkse artistieke inkomsten in de kunsten zijn meestal niet het gevolg van te weinig werken, maar wel van structureel onderbetaalde arbeid in cultuur. Sommige nieuwe voorstellen die nu circuleren riskeren dan ook tot gevolg te hebben dat veel kunstenaars hun bescherming zouden verliezen, en daarbij het enige sociale vangnet dat ze hebben om hun beroep mogelijk te maken. Zolang er slechts een fractie van het werk van de kunstenaars vergoed wordt (bijvoorbeeld enkele dagen volgens CAO voor een solotentoonstelling waar maanden of een jaar lang aan gewerkt is en waarbij een vergoeding van 1000 euro loonkost niet ongewoon is), en zolang subsidies niet als conditie stellen om een eerlijke vergoeding voor kunstenaars toe te passen in relatie tot werkelijke arbeidstijd, kunnen “penaliserende” aanpassingen aan het ‘kunstenaarsstatuut’ niet aanvaard worden.

Voorliggende discussienota geeft een overzicht van enkele gekende problemen met het ‘kunstenaarsstatuut’. Bijvoorbeeld de moeilijke toegang voor jonge kunstenaars en de moeilijke opbouw van pensioenrechten worden besproken. Of bijvoorbeeld wordt de schizofrene situatie geschetst die ontstaat doordat de kunstenaar actief werk moeten zoeken (buiten de sector) terwijl hij/zij in dezelfde periode (autonoom of in opdracht) artistiek onderzoek doet en projecten/presentaties ontwikkelt, waarvan slechts een fractie van de arbeidstijd vergoed worden.

De discussienota maakt een schets van verschillende onderliggende of structurele problemen voor kunstenaars en kunstwerkers. Bijvoorbeeld in plaats van een faire vergoeding wordt de kunstenaar vaak ‘beloond’ met ‘zichtbaarheid’, ‘een kans tot netwerken’ en met de ‘symbolische merkwaarde’ van de organisaties die hen uitnodigen. Zelfs als deze kunstenaars toegang hebben tot het zogenaamde ‘kunstenaarsstatuut’, blijven deze onfaire arbeidsrelaties bestaan, en is de opbouw van sociale rechten uitermate moeilijk. Deze condities maken de kunstenaar erg kwetsbaar en zijn/haar sociaal-economische positie precair.

De discussienota wil deze onderliggende problemen vertalen naar suggesties voor concrete beleidswijzigingen. Er is nood aan regulering van arbeidsverhoudingen in de kunsten (o.a. het fair vergoeden van het nu on(der)betaalde onzichtbare werk van kunstenaars en kunstwerkers, faire contracten die kunstenaars niet alle risico's laten dragen) en aan een herstructurering in het cultuurbeleid van het systeem van beurzen waar faire vergoedingen geen optie, maar een conditie horen te zijn met daar tegenoverstaande middelen. Als cultuur op de juiste manier werd bedeeld, en kunstenaars en kunstwerkers zouden worden betaald voor het effectieve werk dat ze daadwerkelijk doen, dan zou het ‘kunstenaarsstatuut’ enkel nog dienen om de beroepsrisico’s op te vangen en niet als 'oplossing' voor onderbetaling en onderfinanciering.

UNESCO: “De grootste subsidie voor de kunsten komt immers niet van de overheid, opdrachtgevers of de privésector, maar van kunstenaars zelf in de vorm van onbetaalde of onderbetaalde arbeid.” 1

Overzicht:

  1. Intenties van de nota
  2. Methodologie
  3. Korte bespreking van problematische onderdelen in een aantal huidige circulerende voorstellen rond de specifieke regels voor kunstenaars
    • universeel basisinkomen enkel voor kunstenaars
    • 156 dagen
    • 52 dagen
    • maak alles cachet
    • instap jonge kunstenaars in sociale zekerheid via cultuurbudget Vlaamse Gemeenschap
    • lager aantal dagen voor instap
    • auteursrechten in de loonkorf ?
  4. De voornaamste probleemstellingen gegroepeerd volgens een integrale aanpak
    1. Problemen voor de sociale zekerheid werknemers (arbeiders en bedienden):
      • artikel 1 bis is niet ingedekt door een CAO
      • verwarring rond KVRs
      • werkvisas
    2. Problemen voor de arbeidswetgeving:
      • structureel onderbetaalde arbeid door onderfinanciering van cultuur
      • gebrek aan toepassing van CAO’s
      • verdelen van risico's
      • inkomsten uit de distributie van werk
      • symbolische waarde
      • inkomsten uit het buitenland
      • werkloosheid jonge kunstenaars
      • de ‘verlenging’ van de specifieke regels voor kunstenaars
      • de verplichting om actief werk te zoeken
      • de verplichting om te solliciteren voor een job buiten de kunsten
      • administratieve problemen voor kunstenaars
      • de controles op zoekgedrag voor kunstenaars
      • ontbreken van pensioenopbouw
    3. Problemen voor de zelfstandigen
      • de toegang tot het zelfstandigenstatuut is voor veel kunstenaars te duur
      • berekeningen gebeuren te traag
      • gebrek aan sociale bescherming
      • onstabiliteit van de kunstmarkt
    4. Problemen in cultuurbeleid Vlaanderen
      • stigmatisatie
      • verdeling van de taart
      • gebrek aan terugvloei van meerwaarde
      • het toekomstige Vlaamse Kunstendecreet
      • de corona crisis
    5. Problemen in cultuurbeleid Federatie Wallonië-Brussel
    6. Problemen in de fiscaliteit
      • auteursrechten
  5. Suggesties vanuit SOTA
    1. Suggesties voor de sociale zekerheid werknemers (arbeiders en bedienden)
      • CAO voor taakloon
      • afschaffing van KVR
      • werkvisa die de twee verschillende sociale statuten erkennen
    2. Suggesties voor de arbeidswetgeving
      • uitbreiding van definitie van arbeid naar meer autonome vormen van arbeid
      • toegang tot de werkloosheid: specifieke regels voor de berekening van inschakelingsperiode voor de kunstenaars
      • toegang tot de werkloosheid: meetellen van andere vormen van professionele activiteiten
      • verlenging van de werkloosheid: de specifieke regels voor kunstenaars
      • vereenvoudiging administratie voor kunstenaars en kunstwerkers
      • aangepaste controles op zoekgedrag voor kunstenaars en kunstwerkers
    3. Suggesties voor ministerie van zelfstandigen (in hoofd- of bijberoep)
      • variabele toegangstarieven tot het zelfstandigenstatuut
      • snellere herberekening van de tarieven
      • betere sociale zekerheid bij zelfstandigen of zelfstandigen in bijberoep
      • accumulatie van sociale zekerheid bij zelfstandigen in bijberoep
      • het naar elkaar laten toe groeien van de twee sociale statuten
    4. Suggesties voor ministerie van cultuur Vlaanderen
      • fair pay gekoppeld aan een stijging van de middelen in cultuur
      • fair pay gekoppeld aan een betere verdeling van de middelen
      • schrijf eerlijke verloning als voorwaarde voor toegang tot subsidies in het Kunstendecreet
      • koppel de betalingen van prestaties aan voorbereiding volgens coëfficiënten
      • een uitgebreider begrip van ‘artistiek werk’
    5. Suggesties voor ministerie van cultuur Federatie Wallonië-Brussel
    6. Suggesties voor ministerie van economie (fiscaliteit)
      • auteursrechten

SCHETS DISCUSSIE NOTA

Opgesteld door de reflectiegroep 'Sociale Zekerheid' van State Of The Arts (SOTA) (laatst gewijzigd op 18 februari 2021)

State of the Arts (SOTA) is een open platform dat wil bijdragen aan een nieuwe verbeelding van de kunstwereld vandaag. SOTA opereert vanuit de collectieve kennis van onafhankelijke kunstenaars en kunstwerkers, maar staat open voor alle betrokken individuen en organisaties die zich willen inzetten voor meer faire kunstpraktijken. Voor SOTA kan er slechts sprake zijn van werkelijke verandering als we gehoor geven aan allerlei mensen, bezorgdheden en standpunten die buiten de radar van bestaande representatieve organisaties in de culturele sector vallen. SOTA wil rechtstreekse betrokkenheid mogelijk maken. SOTA gaat ervan uit dat de transitie naar meer faire praktijken in de kunstwereld ook een katalysator kan zijn voor verandering in de brede samenleving.

De reflectiegroep rond sociale zekerheid binnen het State of the Arts platform bestaat uit Ronny Heiremans, Wouter Hillaert, Mathilde Maillard, Kobe Matthys, Katrien Reist en Katleen Vermeir

1. Intenties van deze nota

De corona crisis heeft pijnlijk aangetoond dat een groot aantal kunstenaars en kunstwerkers 2 in België niet kunnen terugvallen op sociale bescherming. De wetgeving (er)kent momenteel twee statuten die deze bescherming bieden: die van werknemer (of ambtenaar) en die van zelfstandige. Maar steeds meer kunstenaars en kunstwerkers zijn aan de slag met tijdelijke en vaak zeer korte arbeidscontracten die, omdat ze met wisselende werkgevers werken, slechts weinig bescherming bieden. Heel wat onder hen combineren jobs, vaak in beide statuten, maar doordat het sociale zekerheidssysteem bescherming organiseert vanuit een minimaal 50% tewerkstelling in een hoofdstatuut, vallen zij vaak genadeloos door de mazen van het net.

De organisatie van werk is in de afgelopen 40 jaar sterk veranderd, maar de wetgeving rond arbeid en sociale zekerheid is voor kunstenaars nauwelijks geëvolueerd. In 1969 werden een aantal bijzondere regels uitgewerkt binnen de sociale zekerheid voor uitvoerende kunstenaars in de ‘spektakelkunsten’. In 2003 werden daar een aantal nieuwe bijzondere regels aan toegevoegd met betrekking tot alle kunstenaars. Niet alleen uitvoerende, maar ook scheppende kunstenaars, konden voortaan beroep doen op wat een beetje ongelukkig werd benoemd als ‘het kunstenaarsstatuut’. Dit was een sterke verbetering! Tegelijk blijven er heel wat manco’s met het statuut op het terrein dat voor een grote groep kunstenaars van alle leeftijden onhaalbaar blijft, zowel voor degenen die er niet in slagen om in een ‘kunstenaarsstatuut’ in te stappen, als voor degenen die hun artistieke praktijk combineren met een ‘kunstenaarsstatuut’.

De huidige coronacrisis die een grote impact heeft op de cultuursector, creëerde een momentum voor een hervorming. De huidige federale regering onder premier De Croo schreef het zoeken naar een duurzame hervorming van het sociale statuut van de kunstenaars in het regeerakkoord. Een aantal politieke partijen kwamen al naar buiten met een voorstel tot hervorming. Maar vooraleer het tot ingrijpende veranderingen zou komen, wil SOTA platform zelf ook naar buiten treden met een breed gedragen en degelijk onderbouwd voorstel, dat de noden van kunstenaars en kunstwerkers zelf in context plaatst van een ruimere visie op de problematiek.

De hervorming van het ‘kunstenaarsstatuut’ is een politiek zeer complex dossier. Ten eerste is het een federale aangelegenheid terwijl cultuur een gemeenschapsmaterie is. Ten tweede is het een dossier dat zowel een impact heeft op de wetgeving van arbeid, sociale zekerheid, werkloosheid, als op belastingen. Het is dus een dossier waarbij verschillende ministeries zijn betrokken. Wij willen door een integrale aanpak ook het interministerieel overleg hieromtrent aanmoedigen.

De hervorming raakt aan essentiële discussies in de maatschappij: Wat is werk? Hoe kunst verlonen? Wie verdient sociale bescherming? Het is belangrijk om dit groter debat niet uit de weg te gaan. Kunstenaars en kunstwerkers zijn begaan met andere precaire werkers met onregelmatige, tijdelijke en hybride activiteiten. Op langere termijn is er nood aan een betere sociale bescherming voor alle precaire werkers zowel binnen als buiten de kunsten.

Dit betekent echter niet dat kunstenaars op korte termijn geen oplossing moeten zoeken voor hun specifieke problemen, die eigen zijn aan de kunsten. Laten we de huidige regelgeving die als noodzakelijke bescherming dient specifiek voor de kunstenaars niet zelf nog meer onder nog meer zware druk zetten. Hoewel zeker niet perfect, geven de specifieke regels voor kunstenaars wel de enige houvast om het hoofd te kunnen bieden aan risico’s in hun vak, en om überhaupt hun activiteiten uit te kunnen oefenen, vanwege de structurele problematiek van de veel te lage verloningen.

Wij zouden het betreuren indien verschillende disciplines (audiovisuele- en beeldende kunsten, muziek, theater, dans, etc.) voorstellen tot verandering uitwerken die enkel in hun eigen voordeel zouden passen, maar nadelig kunnen zijn, of zelfs kunnen leiden tot meer precariteit voor andere disciplines. Een overleg en toetsing van voorstellen met alle betrokken disciplines en met experten (arbeidswetgeving, sociale zekerheid, fiscaliteit, cultuur...) is noodzakelijk. Aanpassingen moeten met de grootste omzichtigheid gebeuren, én vanuit de gedachte een stappenplan te ontwikkelen dat de ruimere visie op de materie helpt realiseren (zie verder).

Wij ijveren voor meer onderzoek naar de huidige ‘specifieke regels’ om acute problemen op te sporen, en in latere instantie een herziening van de reeds bestaande specifieke regels voor kunstenaars. Deze toetsing moet grondig gebeuren, een bevraging van het veld moet er absoluut deel van uitmaken.

Om verwarring te vermijden, in de kunsten maar ook in de politiek en bij de burger, zouden we de naamgeving ‘kunstenaarsstatuut‘ ook beter niet langer gebruiken. De naamgeving ’kunstenaars-statuut’ doet ten onrechte vermoeden dat kunstenaars speciaal worden behandeld en een gunst krijgen t.o.v. andere beroepsgroepen. Dit zogenaamde ’statuut’ is trouwens geen apart statuut (naast werknemer en zelfstandige). Het is enkel maar een uitzondering in de werkloosheidsreglementering. De reden waarom die er kwam was net om kunstenaars niet te discrimineren t.o.v andere beroepsgroepen. Dit vanwege hun atypische arbeid met zeer korte contracten voor verschillende werkgevers, waardoor de opbouw van sociale zekerheid erg moeilijk is. Het was een manier om kunstenaars dezelfde bescherming te geven als werknemers uit andere sectoren. Ook voor andere beroepen met atypische arbeid bestaat zulke reglementering (vissers, houthakkers, seizoensarbeiders…). We kunnen het ‘kunstenaarsstatuut’ vanaf nu dus beter benoemen als: ‘Specifieke regels voor kunstenaars in de sociale zekerheid en de werkloosheid’, want dit is wat het is.

Wij willen ook benadrukken dat kunstenaars en kunstwerkers geen bijzondere privileges willen, maar wel een erkenning dat hun activiteiten atypische vormen van werk zijn. Kunstenaars willen dezelfde kansen op opbouw van sociale rechten als andere werknemers. Het huidige ‘kunstenaarsstatuut’ werd dan ook uitgewerkt om kunstenaars niet te discrimineren t.o.v. andere beroepsgroepen.

Zo formuleerde UNESCO het in “Recommendations concerning the Status of the Artist” uit 1980: “Probeer de nodige stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat kunstenaars dezelfde rechten genieten als die welke worden toegekend aan een vergelijkbare groep van de actieve bevolking door nationale en internationale wetgeving met betrekking tot werkgelegenheid en leef- en arbeids-omstandigheden, en zorg ervoor dat (zelfstandige) kunstenaars, binnen redelijke grenzen, bescherming genieten op het gebied van inkomen en sociale zekerheid.3

2. Methodologie

De reflectiegroep rond sociale zekerheid van SOTA wil in de eerste plaats de reeds bestaande bijzondere regels voor kunstenaars in de wetgevingen van de verschillende betrokken ministeries van sociale zekerheid, arbeid en werkloosheid, zelfstandigen, fiscaliteit en cultuur verbeteren. Wij sturen hiervoor aan op het belang van een integrale aanpak via interministerieel overleg.

Binnen het “How to Live & Work Now” platform van Kaaitheater heeft de reflectiegroep dit traject rond de hervorming van de ’specifieke regels voor kunstenaars’ verbonden aan een serie van verschillende voorbereidende ontmoetingen met zowel de Franstalige als Nederlandstalige betrokkenen. SOTA benadereden hiervoor zowel Nederlandstalige organisaties zoals onder andere Artiesten Coalitie, Cultuurloket, Jonge Akademie, Kunstenpunt, oKo, Voices of Dance als ook Franstalige organisaties, zoals NO Culture, Conseil Dead, Balance ta Crise, Artistes Affilié.e.s, Metal, UPAC, F(s), SACD & Scam.

Wij deden ook beroep op een aantal juridische experten en personen die academische onderzoek deden rond sociale zekerheid in België: Yasmine Kerbache, Anne Catherine Lacroix, Tanguy Roossen, Kristof Salomez, Julie Van Elslande, Els Van Heusden, Jens Van Lathem, Tobias Van Royen.

Wij gaan ervan uit dat samen met al deze partners het mogelijk moet zijn om een traject te lopen waar een brede bevraging van kunstenaars deel van uitmaakt, zowel degenen die in als buiten de huidige ‘specifieke regels voor kunstenaars’ vallen.

Enkel op die manier kunnen we de noden kennen van wat er in de verschillende disciplines speelt. Een enquête kan een goede optie zijn, uitgewerkt en opgevolgd door één of meerdere partners. Deze partners zouden een opdracht voor een jurist die het project van nabij opvolgt kunnen inschrijven in hun werking. Op deze wijze wil deze reflectiegroep een breed gedragen en wel onderbouwd voorstel formuleren om aan de regering te kunnen voorleggen.

Op zaterdag 27 februari 2021 zal SOTA met de hulp van Kaaitheater een online open discussie organiseren. In maart zal de input van deze discussie worden toegevoegd aan de discussienota en toegankelijk worden gemaakt via de website van SOTA, meer bepaald in context van de volgende Fair Arts Almanak 2022. Het is uiteindelijk de bedoeling om deze discussienota vervolgens aan de verschillende betrokken ministeries te overhandigen.

3.,Korte bespreking van problematische onderdelen in een aantal huidige circulerende voorstellen rond de specifieke regels voor kunstenaars

- Universeel basisinkomen enkel voor kunstenaars

De liberale partij MR bracht recent een uitgewerkt voorstel voor hervorming naar buiten. Dat gaat in de richting van een universeel basisinkomen (UBI), maar dan enkel voor kunstenaars en technici. 5 De reflectiegroep analyseerde het MR voorstel in een uitgebreide nota. 6

MR’s idee is om een soort 'kunstenaarsinkomen' te creëren dat bestaat onder een federaal Kunstenministerie dat - in tegenstelling tot de huidige situatie - los staat van Sociale Zaken. Door kunstenaars uit de werkloosheid te halen, worden ze in feite losgekoppeld van de sociale zekerheid, dat uiteraard niet alleen werkloosheid omvat, maar ook gezondheids- en arbeidsongeschiktheid en pensioenen. Hoogstwaarschijnlijk creëert dit ook de noodzaak om extra individuele privé-verzekeringen voor pensioen, gezondheid, invaliditeit... af te sluiten.

MR noemt de begunstigden van de huidige ‘specifieke regels voor kunstenaars’ ‘overbeschermd’ omdat ze amper drie prestaties per jaar moeten bewijzen. Ze bestempelen dit zelfs als een misbruik en willen de kunstenaar ‘responsabiliseren’. Daarom bestaat hun voorstel er in om de kunstenaar 156 dagen arbeid te laten bewijzen op 36 maanden, of 52 dagen per jaar (zie verder onder).

Wij vinden dat de verantwoordelijkheid voor de precaire situatie van de kunstenaar niet bij de kunstenaar zelf kan gelegd worden. Hierboven hebben we reeds besproken dat de oorzaak ligt in structurele onderbetaling en onderfinanciering. Terwijl de ‘specifieke regels voor kunstenaars’ net moeten zorgen voor een vangnet voor de precaire situatie van de kunstenaar, zal dit voorstel van MR ironisch genoeg nog meer precariteit genereren!

Wij zijn ook van mening dat als het Universeel Basisinkomen wordt opgenomen in een maatschappelijk debat dit voor alle burgers toegankelijk moet gemaakt worden en zeker niet enkel voor kunstenaars. Kunstenaars willen geen privileges, maar een behandeling die hen niet discrimineert t.o.v. andere beroepsgroepen.

- 156 dagen

Voorstellen die het benodigde aantal dagen voor de instap in het ‘statuut’ willen verlagen, maar voor de ‘neutralisatie’ (jaarlijkse verlenging van het ‘statuut’) het aantal dagen willen verhogen, zullen zorgen voor meer precariteit en uitval van kunstenaars als het aantal te bewijzen dagen te hoog is, zelfs als ze in cachet berekend worden. Bijvoorbeeld als men 156 dagen7 in cachet per jaar moet bewijzen om het ‘statuut’ te verlengen dan heeft de kunstenaar artistieke contracten nodig aan ongeveer 10.000,- bruto loon per jaar en dit halen veel kunstenaars niet (jaarlijkse artistieke inkomsten voor beeldende kunstenaars kunnen tussen 1500,- en 6000,- bruto per jaar liggen) vanwege de problematiek dat de arbeid geleverd voor een cultuurorganisatie maar voor een fractie wordt vergoed. En dit geldt voor kunstenaars van alle leeftijden! Nu zijn er slechts 3 arbeidscontracten/prestaties per jaar nodig. 156 dagen moeten bewijzen komt neer op een enorme verzwaring voor het behoud van de ‘specifieke regels voor kunstenaars’.

- 52 dagen

Voorstellen om ieder jaar 52 dagen te bewijzen (of 156 dagen op drie jaar tijd), (in cachet) houden geen rekening met lange creatie periodes (die zeker niet in alle sectoren leiden tot beter betaalde periodes wanneer het werk kan gaan circuleren, de lonen zijn gewoon te laag!) of met de lange periodes om subsidies aan te vragen of co-producenten te zoeken. Risico’s zoals het niet gehonoreerd worden van een beursaanvraag, waarbij de kunstenaar weer een lang proces moet doorlopen voor een nieuwe aanvraag, of een tentoonstelling die wordt afgelast zonder er compensatie voor te krijgen, kunnen ervoor zorgen dat de kunstenaar die één jaar niet aan de benodigde 52 dagen met artistieke activiteit komt, het hoogste uitkeringsniveau verliest en dus ook de bescherming tegen de degressiviteit van de uitkering, net op het moment hij/zij een tijdelijk vangnet nodig heeft om die periode te overbruggen. Nu zijn er slechts 3 arbeidscontracten/prestaties per jaar nodig. 52 dagen per jaar moeten bewijzen komt neer op een substantiële verzwaring voor het behoud van de ‘specifieke regels voor kunstenaars’.

- Maak alles cachet

Het basisbedrag moet in het geval van het gebruik van cachet hoger gemaakt worden of kunstenaars blijven de hele loopbaan hangen bij de armoedegrens, niet alleen omwille van de lage cachet dagvergoeding, maar ook omdat door de cachet regel een groter aantal dagen van zijn/haar uitkering worden geschrapt. Een groot aantal beeldende kunstenaars maakt nauwelijks gebruik van auteursrechten, dus voor hen vormen deze rechten geen mogelijke bron van inkomsten om boven de armoedegrens uit te komen.

- Instap jonge kunstenaars in sociale zekerheid via cultuurbudget Vlaamse Gemeenschap

Een voorstel om jonge kunstenaars gemakkelijker toegang te verlenen tot de ‘specifieke regels voor kunstenaars’ via het cultuurbudget van de Vlaamse Gemeenschap kunnen niet passen in een coherent voorstel omdat er hier een afhankelijkheid van een extra beschikbaar te maken budget vanuit de Vlaamse Gemeenschap wordt gecreëerd. Dit kan snel afglijden naar een speciaal gefinancierd statuut zoals voor de “topsporter”. Dat de staat voortaan zou gaan bepalen wie de “top” kunstenaars zouden worden, brengt mogelijk de autonomie van kunstenaars in gevaar. Ook prestaties in de kunsten kan men moelijk kwantificeren zoals in de sport.

- Lager aantal dagen voor instap

Voorstellen om jonge kunstenaars gemakkelijker te laten instappen door het aantal dagen dat ze artistieke arbeid moeten bewijzen te verlagen zal moeilijk worden goedgekeurd omdat er van wordt uitgegaan dat uit solidariteit met andere beroepen een gelijk aantal dagen moet worden gerespecteerd. Een andere strategie moet hier dus gevolgd worden om de instap te vergemakkelijken.

- Auteursrechten in de loonkorf ? Auteursrechten zijn geen inkomen maar inkomsten vanuit verhuur van intellectuele eigendommen. Door deze nu niet als lonen te beschouwen stimuleert men een ontwijking van het betalen van sociale bijdragen. Dit is hierdoor een voorstel dat gevaren inhoudt.

4. De voornaamste probleemstellingen gegroepeerd volgens een integrale aanpak

Hervormingen van de sociale zekerheid van kunstenaars en kunstwerkers moeten in een breder perspectief bekeken worden. De problematiek is niet enkel terug te vinden in de regelgeving rond sociale zekerheid, maar ook bij arbeid, zelfstandigen, cultuur, fiscaliteit, auteursrechten, enz… De complexiteit van de politieke structuren waarbinnen deze regeling voor kunstenaars zich voegt, mag niet worden onderschat. Tegengestelde ideologieën rond kunstenaars, werk en sociale zekerheid in de Vlaamse, Waalse en federale overheden vormen een politiek risico.

1. Problemen voor de sociale zekerheid werknemers (arbeiders en bedienden)

- Artikel 1 bis is niet ingedekt door een CAO

Momenteel gelden CAO's niet voor kunstenaars die werken onder artikel 1bis. En het 'visum voor kunstenaars' afgeleverd door de commissie kunstenaars is een slecht middel om te bepalen wie al dan niet een beroep kan doen op artikel 1 bis of niet. Dit visum lost trouwens ook de problemen van slechte betaling niet op. De samenstelling van de commissie kunstenaars is ook nog een heikel punt. Kunstenaars, technici en peers met expertise moeten het grootste aandeel in de commissie hebben om de beoordeling wie een kunstenaar is en wat kunst is zo open mogelijk te houden in een steeds veranderend kunstlandschap.

- Verwarring rond KVRs

De KVR wordt momenteel gebruikt als een vorm van verloning van kunstenaars en kunstwerkers. Kunstenaars die een KVR gebruiken bouwen geen sociale rechten op. Er is veel misbruik en dit creëert een situatie van onderbetaling en oneerlijke concurrentie voor veel kunstenaars en kunstwerkers.

- Artikel 1 bis is niet erkend voor het werkvisa voor buitenlanders

Een werkvisum wordt nu verleend ofwel op basis van een vast arbeidscontract ofwel van het zelfstandige statuut. Werknemers die via artikel 1 bis of interim SBK werken komen momenteel niet in aanmerking voor een werkvisum.

2. Problemen voor de arbeidswetgeving

- Structureel onderbetaalde arbeid door onderfinanciering van cultuur

Een van de voornaamste onderliggende redenen waarom kunstenaars moeilijk een sociale zekerheid opbouwen is de onderbetaling. Dit onderliggend probleem is structureel en raakt moeilijk opgelost, zelfs voor de kunstenaars en kunstwerkers die functioneren binnen de bestaande ‘specifieke regels voor kunstenaars in de sociale zekerheid en de werkloosheid’.

Studies over de socio-economische positie van de kunstenaar -“kunstenpocket #3” uit 20198 en “Loont Passie” uit 20169 tonen aan dat kunstenaars in alle sectoren die van project naar project werken (enkel een minderheid is voltijds of halftijds in dienst van organisaties, en binnen de beeldende kunsten bestaat een contract van langere duur met instellingen voor een artistieke tewerkstelling al helemaal niet) te maken hebben met steeds kortere periodes van vergoedingen, en zeer lage lonen die bovendien maar een fractie van de echte werkduur vergoeden. Bijgevolg komen kunstenaars tot een gebrekkige opbouw van sociale zekerheid zoals pensioen.

In de kunstensector bestaat er geen faire, d.w.z. degelijke verloning van kunstenaars en kunst-werkers tegenover de creatie. Verloningen die het creatie- en productie-proces mee betrekken in de berekening van een ‘faire verloning’ zijn een grote uitzondering. Vanwege de hoge motivatie en passie waarmee de kunstenaar creëert, maar ook vanwege zijn/haar zwakke onderhandelingspositie, spelen exploitatie en zelf-exploitatie (de kunstenaar investeert het grootste deel van zijn/haar beperkte budget om een kwaliteitsvol werk mogelijk te maken en een te klein deel aan loon) daarom nog te vaak een doorslaggevende rol. Hier is ook werk voor de kunstenaars zelf weggelegd om samen te ijveren voor faire condities.

Een voorbeeld uit de studie ‘Loont Passie ?’ toont hoe beeldende kunstenaars de laagste verdieners zijn: het netto mediaan jaarinkomen van de beeldend kunstenaar in 2014 bedroeg 13.700 Euro. In dit bedrag zijn echter ALLE inkomsten inbegrepen zoals artistieke inkomsten, lesgeven, maar ook de werkloosheidsvergoedingen. Werkelijke artistieke inkomsten die tussen 1500,- en 6000,- bruto liggen per jaar voor vaak voltijdse arbeid zijn voor veel beeldende kunstenaars een realiteit. Het volgende voorbeeld moet deze scheefgetrokken situatie verduidelijken. De gangbare vergoeding voor een solotentoonstelling is 1000,- (totale loonkost), maar dit houdt vaak maandenlange of zelfs een jaar lang niet vergoede arbeid in (artistiek onderzoek, vergaderingen, projectvoorstellen bedenken, tentoonstelling plannen, het werk produceren, …) die de kunstenaar vooral zelf moet ondervangen met subsidies aanvragen, co-producenten zoeken, een extra job, en terugvallen op de ‘specifieke regels voor kunstenaars.’

De studie ‘Loont Passie?’ van Kunstenpunt vermeldt dat bijna elke beeldend kunstenaar (93%) die aan de studie deelnam in 2014 te hebben gewerkt aan de creatie van eigen werk. Slechts één op de drie kreeg daarvoor ook een vergoeding. 77% van de beeldend kunstenaars stelde in datzelfde jaar tentoon. Slechts 30% van wie tentoonstelde, kreeg daarvoor een vergoeding. Onderzoekswerk, reflectie en prospectie werd door 40% van de kunstenaars gerapporteerd als activiteit. Tegenover dat werk staat in 28% van de gevallen een vergoeding. Alleen voor creaties in opdracht (door 50% van de kunstenaars gedaan in 2014) is vaker een vergoeding voorzien, in 7 op de 10 gevallen.

Het meest veelzeggend is misschien dat zelfs voor veel kunstenaars die (inter)nationaal werkzaam zijn, die grote symbolische waardering ontvangen, die gepresenteerd worden in kwalitatieve biënnales, musea en filmfestivals, de financiële waardering voor hun arbeid niet mee evolueert. Gedurende heel de loopbaan moeten kunstenaars en kunstwerkers in economische modellen opereren waarin zij de zwakke schakel zijn. Dit wil zeggen dat het beroep van kunstenaar en kunstwerker voor een groot aantal onder hen structureel niet duurzaam is, en dat ondanks het bestaan van een aantal ‘specifieke regels voor kunstenaars’ de precariteit en onfaire arbeidsrelaties nog steeds niet verdwenen zijn.10

- Gebrek aan toepassing van CAO’s

Er is een gebrek aan het toepassen van CAO’s. Aan de ene kant omdat deze niet van toepassing zijn op artikel 1 bis. Aan de andere kant komt dat een groot deel van de arbeid niet wordt in rekening gebracht. Een groot deel van het werk van kunstenaars is ‘onzichtbaar’ en wordt niet vergoed. Dit onvergoede 'onzichtbare' werk is niet 'ongevraagd' werk, maar werk in het kader van een opdracht voor een organisatie (schrijven van subsidiedossiers, administratie, repetities, schrijven van een perstekst, vergaderingen over de samenwerking, zoeken van extra co-producenten, ontwerpen maken, het werk produceren...). Deze activiteiten in opdracht wordt momenteel jammer genoeg niet als 'werk' vergoed. Ook het ‘zichtbare’ werk wordt slechts zeer gedeeltelijk vergoed. Kunstenorganisaties die kunstenaars met zeer korte contracten van enkele dagen (weliswaar volgens CAO) aanwerven om enkel het afgewerkte ‘product’ te tonen, en in het beste geval financieel slechts symbolisch te waarderen, houden geen rekening met maanden of jaren van voorbereiding, en nemen hun verantwoordelijkheid als werkgever dus niet op. 11 Dit gebeurt deels omwille van een te lage eigen financiering, deels omwille van het feit dat kunstorganisaties de correcte betaling van kunstenaars niet prioritair stellen, deels omdat de relatie ‘opdrachtgever/opdrachtnemer’ binnen de sector slechts zelden letterlijk wordt opgevat.

- Verdelen van risico's

Bovendien vallen vaak ook alle risico’s van investeringen (tekort aan fondsen, kosten en salarissen bij afgelaste tentoonstelling etc...) op de schouders van de kunstenaars. In contracten worden deze risico's onevenredig verdeeld over de kunstenaar en de organisatie. Hun arbeid is dus het meest precair en verklaart de nood aan een beleid dat hen centraal stelt en dat ook concretiseert in de manier waarop het de kunstenaar ondersteunt, resp. hiervoor voldoende middelen ter beschikking stelt.

Zelfs voor kunstenaars die nu reeds recht hebben op ‘de specifieke regels voor kunstenaars in werkloosheid’ blijft de situatie dus precair, en zolang kunstenaars en kunstwerkers van project naar project moeten werken, degelijke vergoedingen niet de norm zijn geworden en zolang subsidiëring van projecten (via overheid of fondsen) niet de werkelijke kosten van de tewerkstelling mee incalculeren, zal daar weinig aan veranderen. Het is dus uiterst belangrijk dat indien wijzigingen aan de ‘specifieke regels voor kunstenaars in de sociale zekerheid en werkloosheid’ zouden plaatsvinden, deze rekening houden met de huidige praktijken van onderbetaling.

- Inkomsten uit de distributie van werk

Het is een misverstand dat in alle sectoren na de onderzoeks- en ontwikkelingsperiode van het werk, de ‘investering’ kan terugverdiend worden eens het werk kan getoond worden en circuleren. Zoals gezegd is een gemiddelde vergoeding voor een solo-tentoonstelling 1000,- (totale loonkost), onafhankelijk van de tijd die nodig was om het werk te ontwikkelen, produceren en presenteren. Organisatoren van filmfestivals bieden meestal geen screening fee aan, en om deel te nemen aan de filmselecties moet de kunstenaar inschrijvingsgeld betalen. Ook hier moet de kunstenaar blij zijn met de ‘zichtbaarheid’ en ‘netwerkmogelijkheden’ voor zijn/haar werk.

- Symbolische waarde

In schril contrast met de eenzijdige blik van de media op de ‘glamoureuze’ kant van de sector, verbetert het niveau van verloning voor kunstenaars vaak niet met groter ‘succes’ en de hogere symbolische waarde van de instituten die hen uitnodigen. Vaak zien de instituten de symbolische waarde van hun ‘merk’ als ‘betaling’. Dit is de houding van de meeste internationale biënnales, grote musea… Hun symbolische waarde zou afstralen op de kunstenaar. De kunstenaar moet zich tevreden stellen met een grotere ‘zichtbaarheid’, maar financiële inkomsten die hij/zij buiten de met publieke middelen gefinancierde organisaties zou kunnen ontvangen, blijven een hoogst onzekere, speculatieve aangelegenheid.

- Inkomsten uit het buitenland

Wanneer buitenlandse instellingen direct steun aanvragen bij de Vlaamse overheid voor kunstenaars, dan hebben de kunstenaars vaak geen invloed op praktijken van vergoeding of een andere effectieve inzet van dit geld. Tenzij hier concrete eisen aan verbonden worden, is het naleven van afspraken rondom fair practices op dit niveau een onbegonnen taak. Daarmee is het ook zaak met fair practices aan te sluiten bij andere bewegingen op internationaal niveau.

- Werkloosheid jonge kunstenaars

Kunstenaars in hun opstartfase kunnen vaak niet de nodige arbeidsdagen (via artistieke tewerkstelling) bewijzen om toegang te krijgen tot de ‘specifieke regels voor kunstenaars’. Hiervoor moet men onder de leeftijd van 36 jaar 312 dagen bewijzen op 21 maanden (op cachet). Het uitbouwen van het beroep van kunstenaar is zeer moeilijk indien men met andere jobs dit beroep moet financieren. Er is in de werkloosheidsregels te weinig begrip voor de atypische situatie van de kunstenaar/werknemer. Het creatieproces verloopt meestal in een periode zonder rechtstreekse artistieke tewerkstelling. En zelfs in het geval van een aanwerving bestaat er meestal een grote discrepantie tussen effectieve werktijd en het loon dat de kunstenaar er voor krijgt.

We zien dat de risico’s voor jonge kunstenaars groter worden i.p.v. kleiner. Minder organisaties focussen op werk presenteren van jonge kunstenaars. In het nieuwe decreet zullen Beurzen (zonder verplichting tot output) een exclusief instrument worden, waarvoor er bovendien lagere bedragen zijn toegewezen. De net afgestudeerde kunstenaar moet een jaar wachten vooraleer de Beurs te kunnen aanvragen en kan er ook geen sociale zekerheid mee opbouwen.

Welke oplossingen kan men hier uitwerken zodat bijvoorbeeld het aantal dagen gemakkelijker kan bewezen worden, eventueel afhankelijk van leeftijdscategorie. Kunnen bepaalde (nu niet vergoede) periodes waarin de kunstenaar professioneel actief is als arbeidsdagen meetellen, bijvoorbeeld in context van een kunstenaarsresidentie, artistiek onderzoek of een opleiding? Het beste zou natuurlijk zijn als artistiek onderzoek, opleidingen en residenties een correcte vergoeding zouden voorzien, maar ook hier heeft de kunstenaar weinig invloed op vergoedings praktijken in residenties in het buitenland. Indien er geen vergoedingen zijn, dan biedt het Nieuw-Zeelands model dat we hieronder bespreken misschien een oplossing?

- De ‘verlenging’ van de specifieke regels voor kunstenaars

Voorstellen om ieder jaar 52 of 156 dagen te bewijzen houden geen rekening met lange creatie periodes (die zeker niet in alle sectoren leiden tot beter betaalde periodes wanneer het werk kan gaan circuleren, de lonen zijn gewoon te laag!) of met de lange periodes om subsidies aan te vragen of co-producenten te zoeken. Risico’s zoals het niet gehonoreerd worden van een beursaanvraag, waarbij de kunstenaar weer een lang proces moet doorlopen voor een nieuwe aanvraag, of een tentoonstelling die wordt afgelast zonder er compensatie voor te krijgen, kunnen ervoor zorgen dat de kunstenaar die één jaar niet aan de benodigde 52 dagen met artistieke activiteit komt, het hoogste uitkeringsniveau verliest en dus ook de bescherming tegen de degressiviteit van de uitkering, net op het moment hij/zij een tijdelijk vangnet nodig heeft om die periode te overbruggen.

- De verplichting om actief werk te zoeken

Omdat een groot onderdeel van een artistieke opdracht (bijvoorbeeld de research en creatie voor een tentoonstelling) wordt uitgevoerd zonder contract tijdens periodes van ‘werkloosheid’ en er tegelijk een verplichting is om actief werk te zoeken tijdens dezelfde periodes, creëert dit voor kunstenaars schizofrene situaties.

In Nieuw-Zeeland heeft men voor deze situatie een alternatief uitgedacht: PACE (Pathways to Arts and Cultural Employment) 12 De kunstenaar die een artistiek werk ontwikkelt die hem/haar in staat zal stellen om in de toekomst inkomsten te ontvangen of zijn artistieke praktijk verder uit te bouwen wordt aanzien als iemand die actief werk zoekt. Hij/zij moet dan ook niet solliciteren voor jobs buiten het kunstenveld (zie verder).

- De verplichting om te solliciteren voor een job buiten de kunsten

Nu moet de kunstenaar 156 dagen artistieke arbeid bewijzen in een periode van 18 maanden voorafgaande aan een controle/gesprek met de respectieve arbeidsbemiddelingsdienst om niet verplicht te kunnen worden te solliciteren voor een job buiten de kunsten. Dit creëert veel stress en angst voor die controles. Zoals uitgelegd in de voorbeelden hierboven worden dat aantal dagen artistieke arbeid door veel kunstenaars niet gehaald (zowel berekend in ‘cachet’ als in arbeidsdagen), en dit voor kunstenaars van alle leeftijden, vanwege de structurele onderbetaling van hun werk.

In sommige gevallen gaan werkgevers ervan uit dat kunstenaars die opereren met het statuut niet of weinig vergoed moeten worden, want ze hebben toch reeds een ‘basisinkomen’. Jammer genoeg bekijken sommige kunstenaars dit ook op die manier (misschien zonder goed te beseffen dat ze zo geen sociale rechten opbouwen).

- Problemen bij de administratie voor kunstenaars en kunstwerkers

Vele kunstenaars worden slecht onthaalt in administraties omdat de specifieke regelgeving voor kunstenaars niet goed gekend is en daardoor extra werk teweeg brengt voor de mensen aan de loketten. Dat geldt zowel voor de administraties als bijvoorbeeld de hulpkas als bij de vakbonden. Er zijn te weinig mensen die hiervoor opgeleid werden in de administraties. Kunstenaars lopen hierdoor dikwijls enorme vertragingen op in het behandelen van dossiers.

- De controles op zoekgedrag voor kunstenaars

Nu moet kunstenaars op controle/gesprek met de respectieve arbeidsbemiddelingsdienst betreffende hun actief zoekgedrag. Dit creëert veel misverstanden. De kunsten werken namelijk niet op basis van sollicitatie gesprekken zoals in andere beroepen. Het zien van tentoonstellingen en voorstellingen is een must om up-to-date te blijven. Maar dit wordt aanzien als een hobby. Ook vele kunstenaars worden niet vergoed tijdens de dagen van internationale verplaatsingen. Je kan moeilijk aantonen dat op de dag dat je door Europa spoort voor een tournee, je een geldige reden had om niet naar een controle gesprek te komen.

- Ontbreken van pensioenopbouw

Als de kunstenaar met taaklonen werkt en de berekening volgens ‘cachet’ verloopt, dan komen deze ‘cachet’ dagen niet in aanmerking voor berekening van het pensioen. De cachetregel is immers een regel die enkel eigen is aan de werkloosheids-reglementering en geen doorgang vindt in andere takken van de Sociale Zekerheid. Het pensioen wordt berekend op basis van het aantal effectief gewerkte dagen. Weliswaar blijft er een behoud van pensioenrechten in de zogenaamde ‘gelijkgestelde periode’, namelijk de werkloze periodes tussen contracten door, maar kunstenaars die van in het begin van hun loopbaan enkel met zeer korte contracten hebben gewerkt zullen op het einde van de rit nauwelijks een pensioen hebben. Dit is een voorbeeld van zeer moeilijke opbouw van sociale zekerheid, zelfs als de kunstenaar toegang heeft tot de ‘speciale regels voor kunstenaars’. Een voorstel zou kunnen zijn dat cachet zou meetellen voor alle aspecten van de sociale zekerheid, dus ook voor opbouw van pensioen. De dagvergoeding zou echter hoger moeten, omdat men anders tijdens de hele loopbaan rond de armoedegrens blijft hangen.

3. Problemen voor de zelfstandigen

Tewerkstelling kan zowel via het statuut van loontrekkende als optioneel via het statuut van de zelfstandige. Artikel 1 bis van de RSZ-wet bepaalt echter dat een kunstenaar automatisch valt onder het algemeen regime van de sociale zekerheid van de werknemers. Die duidelijkheid is er en zou ook beter moeten erkend worden als uitgangspunt. De Commissie Kunstenaars bepaalt nu of kunstenaars eventueel zelfstandige kunnen worden. Dit is een optie maar geen verplichting!

- De toegang tot het zelfstandigenstatuut is voor veel kunstenaars te duur

Voor zelfstandige in hoofdberoep is een minimumbijdrage aan sociale rechten van 2.992 € op jaarbasis nodig (als het netto belastbaar inkomen lager is dan 14.042 €). Dit komt neer op ongeveer 250 euro per maand. Vele kunstenaars kunnen zich dit door een onregelmatig inkomen nu niet veroorloven. Ook zij krijgen hiervoor weinig sociale zekerheid in de plaats.

- Berekeningen gebeuren te traag

Vele kunstenaars en kunstwerkers hebben een schommelend inkomen. Dit kan grote gevolgen hebben voor de hoogte van de verschuldigde driemaandelijkse bijdragen. De berekeningen voor de bijdragen van zelfstandigen gebeuren echter te traag. Dit maakt het voor vele kunstenaars moeilijk.

- Gebrek aan sociale bescherming

Zelfstandigen in hoofdberoep of bijberoep kunnen niet terug vallen op werkloosheid. Voor zelfstandigen in bijberoep is geen minimumbijdrage verschuldigd, wel sociale bijdragen vanaf een netto belastbaar inkomen per jaar van 1553 € Men betaalt als zelfstandige wel sociale bijdragen, maar men bouwt nauwelijks sociale rechten op.

- Onstabiliteit van de kunstmarkt

Eventuele inkomsten uit een ‘kunstmarkt’ zijn voor veel kunstenaars onbestaande of erg wisselvallig. Dit komt duidelijk naar voor in het onderzoek ‘Cijferboek Kunsten 2018’ van Kunstenpunt m.b.t. de toegang van Vlaamse kunstenaars tot de kunstmarkt.13

De kunstmarkt is een ‘winner takes all’ markt, want ze is georganiseerd rond exclusiviteit. De aandacht en middelen zijn gefocust op enkelingen. De massa structureel onderbetaalde en onder-gefinancierde kunstenaars genereren door hun geloof in het belang van kunst, veel symbolische waarde voor de markt, die daardoor de prijzen van een klein aantal zogenaamde ‘blue-chip’ kunstenaars de hoogte in kan drijven. Financiële inkomsten die de kunstenaar in een markt zou kunnen ontvangen, blijven een hoogst onzekere, speculatieve aangelegenheid.

4. Problemen cultuurbeleid Vlaanderen

Een van de andere onderliggende redenen waarom kunstenaars moeilijk een sociale zekerheid opbouwen is de onderfinanciering van cultuur.

- Stigmatisatie

De beeldvorming rond kunstenaars bij een deel van de burgers en de politiek is nog steeds stigmatiserend. Kunstenaars zouden niet voldoende ‘ondernemend’ zijn, en te sterk afhankelijk zijn van subsidies. Er werden een aantal studies uitgevoerd waarin de precaire sociaal-economische situatie van de kunstenaar wordt verduidelijkt. Hieruit blijkt dat deze precariteit niet voortkomt uit een gebrek aan inspanningen vanwege de kunstenaar, integendeel, de problematiek is structureel van aard. Onderfinanciering van cultuur leidt tot slechte verloning: slechts een fractie van het werk dat de kunstenaar in opdracht van een gesubsidieerde organisatie uitvoert wordt betaald.

- Verdeling van de taart

De culturele sector genereert 5,6 % van de bruto toegevoegde waarde van Vlaanderen, maar wordt slechts voor 1% van het totale Vlaamse budget ondersteund. 14 Dit is een scheefgegroeide situatie in de verdeling van de middelen. Cultuur wordt door een aantal politieke partijen voorgesteld als een kost voor de maatschappij, terwijl het net één van de motoren en financierders er van is. Meer middelen naar cultuur zijn dan ook meer dan gerechtvaardigd!

- Gebrek aan terugvloei van meerwaarde

Zoals onderwijs genereert kunst een grote meerwaarde. Economen spreken van een positieve externaliteit, dit wil zeggen dat deze sectoren een economische en maatschappelijke meerwaarde genereren waarvoor de gebruiker niet of nauwelijks moet betalen. Ze hebben als het ware een groot multiplicator effect. Hun meerwaardes kunnen geoogst worden in bijvoorbeeld de toeristische sector, stadsontwikkeling, vastgoedprojecten (zonder dat de kunstenaar daar mee de vruchten van plukt), maar ook in onderwijs, gezondheidszorg…

De kunsten werden niet zonder reden door veel mensen gezien als essentieel tijdens de coronacrisis. We kunnen dus gerust spreken van een bijdrage aan zowel het Bruto Nationaal Product als aan het Bruto Nationaal Geluk. De visie op kunst moet duidelijk een radicale shift maken. Waarom zou er geen draagvlak bij de burger kunnen gevonden worden voor een degelijke ondersteuning van de kunsten wanneer deze zoveel meerwaarde genereren?

UNESCO beveelt aan: “De aangesloten staten moeten regelingen treffen om, door middel van nauwe coördinatie van hun beleid met betrekking tot onder meer cultuur, onderwijs en werkgelegenheid, een beleid uit te werken voor het verlenen van hulp en materiële en morele steun aan kunstenaars, en ze moeten ervoor zorgen dat de publieke opinie wordt geïnformeerd over de rechtvaardiging en de noodzaak van een dergelijk beleid. De aangesloten staten moeten de status van kunstenaars bevorderen en beschermen door artistieke activiteiten, met inbegrip van innovatie en onderzoek, te beschouwen als een dienst aan de gemeenschap.”15

- Het toekomstige Vlaamse Kunstendecreet

De hervorming van ‘de specifieke regels voor kunstenaars in de werkloosheid en de sociale zekerheid’ valt onder het ministerie van Welzijn van de federale overheid. Het Kunstendecreet is een gemeenschapsmaterie. De gesubsidieerde culturele instellingen krijgen hun middelen van en moeten werken volgens de principes van het Vlaamse Kunstendecreet. Aanpassingen in het nieuwe Vlaamse Kunstendecreet zijn niet afgestemd op de federale hervorming van de ‘specifieke regels voor kunstenaars’ en dit kan leiden tot extra onzekerheid met betrekking tot de sociaal-economische positie van de kunstenaar.

Intussen staan ‘fair practices’ ingeschreven in het toekomstige decreet, maar er is nog niets concreet geschreven over hoe ‘fair pay’, dus een faire betaling van kunstenaars, een bindende voorwaarde kan zijn voor organisaties om subsidies te ontvangen of hoe hun werking daarop gecontroleerd kan worden. Pleidooien om meer middelen vanuit de Vlaamse Regering vrij te maken om fair pay uitvoerbaar te maken voor kleine en middelgrote organisaties, die met zeer beperkte steun moeten werken, vallen op een koude steen. Dit is alvast één zekerheid: die extra middelen komen er niet. Alternatieven zouden volgens de Vlaamse Regering een oplossing voor deze onderfinanciering moeten gaan vormen, maar hoe deze alternatieven eruit zullen zien en of ze succesvol zullen zijn, daarover is nog niets geweten.

Fair pay voor kunstenaars lijkt dus nog (verre?) toekomstmuziek. Het ‘Juist is Juist’ charter dat werd ontwikkeld door oKo gaat in de juiste richting, maar is niet bindend. Een degelijke looncalculator die bepaalde minima in de verhouding opdracht /vergoeding reguleert, zodat lonen correcter kunnen worden onderhandeld, is weliswaar in ontwikkeling, maar zonder de nodige budgetten daarvoor, zullen kunstenaars gevangen blijven in een vicieuze cirkel van onderbetaling. Indien uitvoeringsbesluiten fair pay vrijwillig maken, verandert er niets, indien ze fair pay bindend zouden maken, maar geen extra budget voorzien, dan ontstaat er 'fair pay for the few'. Slechts enkelingen kunnen nog hun werk presenteren onder faire condities.

De kunstenaar is de ‘hoeksteen’ van het beleid, beweert de Visienota van minister van Cultuur Jan Jambon, maar in het nieuwe decreet wordt weinig rekening gehouden met de noden van kunstenaars, waardoor hun precaire situatie blijft bestaan, hun onderhandelingspositie verder verzwakt en ze nog meer zijn overgeleverd aan de goodwill van kunstinstellingen.

Bijvoorbeeld, in het nieuwe decreet zullen de zogenaamde Beurzen (niet gelinkt aan een project en zonder verplichting tot productie) exclusief worden, een ‘prijs’ voor uitzonderlijke verdienste en dus zeer beperkt in aantal en bedrag, terwijl het de enige beurzen waren die periodes van autonoom artistiek onderzoek konden steunen. Deze Beurzen konden het ‘onzichtbare’ werk van kunstenaars vergoeden met een loon vanwege de mogelijkheid de Beurs te laten beheren door een rechtspersoon. In het nieuwe decreet mogen deze Beurzen, net zoals de Residentie Beurzen, niet langer door een rechtspersoon beheerd worden, zodat de kunstenaar ze niet langer als loon kan laten uitbetalen en dus geen sociale rechten kan opbouwen. In projectbeurzen kan een loon wel, maar vanwege de verplichting een ‘output’ te creëren kan een loon maar een klein onderdeel vormen van het totale budget, omdat hier een grote hap naar kosten zal gaan om die output te realiseren.

Mocht de Vlaamse overheid de kunstenaar als hoeksteen van haar beleid zien dan had ze het momentum van nieuwe Kunstendecreet niet gemist en had ze haar verantwoordelijkheid genomen om in samenspraak met de door haar gesubsidieerde organisaties een 'markt' te creëren waarin kunstenaars fair worden vergoed voor hun werk. 16

- De corona crisis

Wat zijn de nog grotendeels onbekende gevolgen van de coronacrisis en de langdurige sluiting van cultuur op de lange termijn voor de kunsten (internationaal werken, toegang tot beurzen, werken met publiek, toegang tot externe fondsen…)? De relance middelen voor cultuur (deels Europees geld) gaan voor een groot deel naar bakstenen (nieuwe musea en infrastructuur) i.p.v. naar het creëren van werkgelegenheid en beurzen voor kunstenaars.

5. Problemen cultuurbeleid Federatie Brussel en Wallonië

** 6. Problemen in fiscaliteit

- Auteursrechten Auteursrechten zijn geen vorm van verloning onderworpen aan de sociale zekerheid. Op deze wijze stimuleert men betaling via rechten (want fiscaal interessanter) en duw je heel wat kunstenaars in een oneigenlijke werksituatie waarbij ze door betaling via auteursrechten geen sociale rechten kunnen opbouwen.

5. Suggesties vanuit SOTA

SOTA stelt voor om de reeds bestaande regels in de bestaande sociale statuten, het werknemersstatuut en het zelfstandige statuut, waar nodig te vereenvoudigen, te verduidelijken, aan te passen en beter uit te werken. SOTA denkt dat het geen goed idee is om kunstenaars die via tijdelijke contracten werken te isoleren in een apart, derde statuut. Hervormingen van de sociale zekerheid van kunstenaars en kunstwerkers moeten in een breder perspectief bekeken worden. De problematiek is niet enkel terug te vinden in de regelgeving rond sociale zekerheid, maar ook bij arbeid, zelfstandigen, cultuur, fiscaliteit, auteursrechten, enz… Er is nood aan een integrale aanpak en interministerieel overleg.

1. Suggesties voor de wetgeving van sociale zekerheid (werknemers, arbeiders en bedienden)

- CAO voor taakloon Voor het werknemersstatuut vragen wij een herziening van artikel 1bis (taakloon) (van toepassing als men niet werkt in een hiërarchische relatie met een werkgever) en een juridische koppeling van artikel 1 bis aan de sociale zekerheid via een CAO.

Momenteel gelden CAO's niet voor kunstenaars die werken onder artikel 1bis. En het 'visum voor kunstenaars' afgeleverd door de commissie kunstenaars is een slecht middel om te bepalen wie al dan niet een beroep kan doen op artikel 1 bis of niet. Dit visum lost trouwens ook de problemen van slechte betaling niet op.

CAO’s kunnen afgesloten worden zonder een herziening van de arbeidswetgeving. Een piste kan zijn om te werken aan een CAO - PC 304 voor zelfstandigen en voor 1 bis. Deze CAO zou met een Koninklijk Besluit afdwingbaar kunnen gemaakt worden. De relatie met de reële tijdsduur van het werk zou ook deel moeten uitmaken van deze afspraken. PC 329 zou dan eventueel snel kunnen volgen.

- Afschaffing van KVR

SOTA wil een einde maken aan het gebruik van de KVR of de ‘kleine vergoedingsregeling’. De KVR diende als maatregel om kleine opdrachten binnen het veld van de amateurkunsten te reguleren en zo zwartwerk te vermijden. Maar de KVR wordt momenteel gebruikt als een vorm van verloning van professionele kunstenaars en kunst werkers. Kunstenaars die een KVR gebruiken bouwen echter geen sociale rechten op. Er is veel misbruik en dit creëert nu een situatie van onderbetaling en oneerlijke concurrentie voor veel kunstenaars en kunst werkers. Instellingen of organisaties zouden KVRs niet mogen gebruiken als verloning, maar doen dit toch. We stellen voor om de KVR af te schaffen. Om vrijwilligers te vergoeden is er reeds voldoende regelgeving, een KVR specifiek voor kunstenaars is daarbij niet nodig.

- Werkvisa die de twee verschillende sociale statuten erkennen

Een werkvisum wordt nu verleend ofwel op basis van een vast werk contract ofwel van een zelfstandige statuut. Werknemers die via artikel 1 bis of interim SBK werken komen momenteel niet in aanmerking voor een visum. Nochtans is dat de manier waarop de meeste startende jonge kunstenaars in het begin aan de slag gaan. Dit maakt dat er discriminatie optreedt ten aanzien van kunstenaars die uit het buitenland afkomstig zijn maar in België werken.

2. Suggesties voor de arbeidswetgeving

- Uitbreiding van definitie van arbeid naar meer autonome vormen van arbeid

Op langere termijn zouden meerdere ‘niet-ondergeschikte’ vormen van arbeid dezelfde bescherming moeten krijgen als werknemers. Hierdoor zouden alle CAO’s van de werknemers automatisch van toepassing worden op activiteiten in het kader van artikel 1bis van de sociale zekerheid. Dit zou veel problemen van onderbetaling kunnen uit de weg gaan. Deze aanpassingen aan de arbeidswetgeving mogen evenwel echter niet tot haar uitholling leiden.

- De toegang tot de werkloosheid: specifieke regels voor de berekening van inschakelingsperiode voor de kunstenaars en kunstwerkers

De toegang van kunstenaars tot de werkloosheid vraagt om herziening. Veel kunstenaars krijgen nu geen toegang tot de volledige sociale bescherming omdat zij niet aan het vereist aantal dagen komen, zelfs niet via de cachet regel (artikel 10 MB werkloosheid). Dit kan anders benaderd worden. Kunstenaars krijgen veelal beurzen die niet (of slechts voor een klein deel) als loon in rekening kunnen worden gebracht. Sommige kunstenaars betalen nu tientallen jaren sociale bijdragen zonder hiervoor bescherming van te genieten. Kan het principe van het recht op sociale bescherming na “verdienste” vanaf minimum twee voltijdse jaren werk worden herzien? Hoe kan een strategie gevonden worden die niet-discriminerend werkt t.o.v. andere beroepsgroepen en die kunstenaars door hun atypische en onregelmatige arbeid ook zelf niet discrimineert? Omdat kunstenaars nu moeilijkheden hebben om voldoende contracten te verzamelen voor de specifieke regels, kunnen jonge kunstenaars en kunst- werkers bijvoorbeeld toegang krijgen tot een langere inschakelingsperiode, van bijvoorbeeld 5 jaar?

- De toegang tot de werkloosheid: meetellen van andere vormen van professionele activiteiten

Kunnen andere, nu niet verloonde, maar wel professionele activiteiten meegeteld worden, zoals een verblijf in een artistieke residentie, periodes van artistiek onderzoek of een opleiding. We denken ook aan het hierboven aangehaald voorbeeld uit Nieuw-Zeeland – PACE (Pathways to Arts and Cultural Employment) – waarin een artistiek werk ontwikkelen als een professionele activiteit meetelt.

- Verlenging van de werkloosheid: de specifieke regels voor kunstenaars

In een aantal hierboven aangehaalde voorstellen komt naar voor dat de huidige begunstigden van de ‘specifieke regels voor kunstenaars’ door slechts 3 prestaties te moeten bewijzen ‘overbeschermd’ zijn en dat dit als ‘misbruik’ bestempeld kan worden. Het lijkt erop dat de verantwoordelijkheid voor precariteit bij de kunstenaar zelf gelegd wordt. 52 of 156 dagen per jaar moeten bewijzen is voor zoveel kunstenaars onbereikbaar dat SOTA deze voorstellen niet kan aanvaarden tot volgende voorwaarden definitief vervuld zijn:

  • fair pay wordt correct uitgevoerd en is bindend
  • beurzen waarin faire lonen duidelijk begroot zijn en gecontroleerd worden bij de afrekening zijn ingevoerd.
  • Indien aan deze voorwaarden niet kan worden beantwoord dan stelt SOTA volgende alternatieven voor:

    • niet verloonde, maar wel professionele activiteiten in de berekeningen van het te bewijzen aantal prestaties mogen meegenomen worden (Nieuw-Zeelands model)
    • het te bewijzen totaal aantal dagen in cachet (bepaald in overeenstemming met alle sectoren en disciplines) mag effectief gespreid worden over een langere referteperiode (minstens 3 jaar) om de risico's van het vak en de atypische manier van werken te kunnen opvangen (dus geen vast aantal dagen per jaar te bewijzen).
    • In een enquête uitgevoerd door de groep F(s) geven de meeste deelnemers aan dat ze de huidige 3 contracten willen behouden, de tweede grootste groep wil tot maximum 20 contracten per jaar gaan [^17]
    • een gelijkwaardig alternatief kan worden aangevoerd dat de meest kwetsbare kunstenaars beschermd. De doelstelling van de aanpassing van de ‘specifieke regels voor kunstenaars’ is volgens het regeerakkoord om de kwetsbare sociaal-economische positie van kunstenaars te verbeteren, en niet om precariteit met meer precariteit te bestrijden!

    - Vereenvoudigde administratie voor kunstenaars en kunstwerkers

    Vele kunstenaars worden slecht opgevolgd in administraties. Zou het mogelijk zijn van specifieke mensen hiervoor op te leiden in de administraties? Kunnen zij als referte functioneren wanneer kunstenaars zich aanbieden in loketten? Kunnen enkel gespecialiseerde mensen dossiers behandelen?

    - Aangepaste controles op zoekgedrag voor kunstenaars

    Vele kunstenaars moeten tijdens controles met handen en voeten uitleggen hoe arbeid in het kunstenveld anders functioneert. Dat kan tot absurde situaties leiden. De kunstenaar is afhankelijk van de kennis en goodwill van de consulent. Soms wordt begrip getoond, maar dikwijls worden standaard regels toegepast waaronder kunstenaars onmogelijk kunnen vallen. Met alle gevolgen van dien. Daarom stellen wij voor dat enkel speciaal hiervoor opgeleide mensen binnen de RVA, die kennis hebben hoe het kunstenveld functioneert gesprekken voeren met kunstenaars. Deze mensen kunnen ook rekening houden met de realiteit waarin kunstenaars werken, inclusief de vele verplaatsingen waarmee zij te maken hebben.

    3. Suggesties voor ministerie van zelfstandigen (in hoofd- of bijberoep)

    - Variabele toegangstarieven tot het zelfstandigenstatuut

    Vele kunstenaars kunnen dit zelfstandige statuut nu niet veroorloven. Voor kleine zelfstandigen zouden andere tarieven kunnen gelden dan voor grote zelfstandigen. Deze variabele tarieven zouden de instap voor sommige kunstenaars kunnen gemakkelijker maken.

    - Snellere herberekening van de tarieven

    Vele kunstenaars en kunstwerkers hebben een heel onregelmatig inkomen. Dit kan grote gevolgen hebben voor de hoogte van de verschuldigde bijdragen. De berekeningen voor de bijdragen van zelfstandigen gebeuren echter te traag. Dit maakt het voor vele kunstenaars moeilijk omdat zij soms jaren bijdragen moeten betalen die brekend zijn op een bepaald moment. Kan er een snellere herberekening komen voor de bijdragen, afhankelijk van het inkomen?

    - Een betere sociale zekerheid bij zelfstandigen of zelfstandigen in bijberoep

    Ook staan kunstenaars in het zelfstandige statuut of het statuut ‘zelfstandige in bijberoep’ zeer zwak op het moment dat zij door omstandigheden niet kunnen werken (bv uitval door ziekte, zorg voor zieke kinderen) of het wegvallen van opdrachten. Het opbouwen van reserves is bij de huidige stand van inkomsten nauwelijks mogelijk. We zien de dramatische gevolgen hiervan in Nederland waar een doorgedraaid ZZP systeem tot precaire situaties voert.

    - Accumulatie van sociale zekerheid bij zelfstandigen in bijberoep

    Veel kunstenaars en kunstwerkers zijn zelfstandige in bijberoep. Vooral mensen met part-time werk maken gebruik van dit statuut, maar genieten nu nauwelijks van een sociale bescherming voor hun bijdragen aan het zelfstandige statuut. Veel zelfstandigen in bijberoep hebben het hierdoor moeilijk. Zou de sociale bescherming door de combinatie van de twee statuten aanvullend gemaakt kunnen worden in één zelfde loonkorf?

    - Het naar elkaar laten toe groeien van de twee sociale statuten

    Met het voorstel van een loonkorf voor de accumulatie van de twee sociale statuten ziet SOTA op lange termijn een mogelijkheid van de twee bestaande sociale statuten naar elkaar toe te laten groeien. De huidige splitsing stemt voor vele kunstenaars niet overeen met hun realiteit. Eens de twee verschillende sociale statuten sterker op elkaar gaan lijken, dan bestaat er misschien in de toekomst ooit wel een mogelijkheid om tot één sociale zekerheid te versmelten. Dit zou meer mutualiteit tussen de verschillende sectoren en beroepscategorieën mogelijk maken, wat het algemeen systeem van de sociale zekerheid enkel duurzamer zou maken.

    4. Suggesties voor decreten ministerie van cultuur Vlaanderen

    - Fair pay gekoppeld aan een stijging van de middelen in cultuur

    Enerzijds wil SOTA blijven ijveren voor fair pay voor kunstenaars. Anderzijds beseft SOTA dat zolang organisaties onder gefinancierd blijven en/of er niet meteen alternatieve financieringen gevonden worden, er deels zal worden teruggevallen worden op de werkloosheidsuitkeringen. Met andere woorden ondergefinancierde organisaties gaan ervan uit dat een kunstenaar maar voor een deel kan vergoed worden voor het geleverde werk. En dit is een vicieuze cirkel, die eindelijk doorbroken moet worden door het ter beschikking stellen van meer middelen.

    - Fair pay gekoppeld aan een betere verdeling van de middelen

    De middelen van de subsidies zijn nu niet evenredig verdeeld. Teveel middelen gaan naar “over head” kosten. Het percentage van de middelen die effectief bij kunstenaars terecht komen staat in schril contrast met de middelen die naar infrastructuur gaan. Deze scheef gegroeide situatie moet zo snel mogelijk recht gezet worden. Dat zal toelaten dat meer middelen naar het betalen van arbeid van kunstenaars kan gaan.

    - Schrijf eerlijke verloning als voorwaarde voor toegang tot subsidies in het Kunstendecreet

    Het ‘fair practice’ charter JUIST IS JUIST helpt te bepalen welke verloning tegenover welke opdracht staat. Op die manier kan de verhouding tussen prestatie en verloning beter worden. Maar dit moet wel bindend worden gemaakt. En de voorwaarde voor toegang tot subsidies kan in het Kunstendecreet gekoppeld worden aan een correcte vergoeding van artiesten. SOTA ijvert dan ook voor collectieve prijszettingen in het decreet. Dit kunnen kunstenaars moeilijk individueel oplossen. Hun onderhandelingspositie is te zwak om tegen de macht van de ‘publieke markt’ (gesubsidieerde instellingen) op te kunnen. Het is ook een verantwoordelijkheid van de Vlaamse regering om haar publieke markt zo te organiseren dat alle participanten daarin fair worden vergoed.

    - Koppel de betalingen van prestaties aan voorbereiding volgens coëfficiënten

    Een kunstenaar kan enkel een prestatie leveren indien ook de nodige voorbereidingen kunnen gebeuren. Bijvoorbeeld voor onderwijzers wordt er vanuit gegaan dat zij voor het aantal uren van de prestatie van het lesgeven ongeveer even veel tijd nodig hebben om dit voor te bereiden. Een dergelijke koppeling zou ook mogelijk gemaakt kunnen worden voor de prestaties in de kunsten.

    - Een uitgebreider begrip van ‘artistiek werk

    SOTA vindt het belangrijk na te denken over wat ‘werk’ is voor mensen die artistieke activiteiten beoefenen en hoe die activiteiten zouden kunnen helpen in de opbouw van sociale rechten, zoals de periodes van (autonoom) artistiek onderzoek, periodes van werk met een Beurs waar men nu geen loon mag van uitkeren, de aanwezigheid in een residentie, repetities, ontwikkelen van een nieuw werk (de bewijslast kan niet enkel liggen bij ontvangen beurzen, daar dit een enorme afhankelijkheid creëert van de budgetten die de Vlaamse regering ter beschikking zal stellen voor haar cultuurbeleid).

    De bedoeling van SOTA is hier absoluut niet om kunstenaars aan de bijdragen aan de sociale zekerheid te laten ontsnappen! De kunstenaar zou het liefst meer bijdragen, indien faire verloningen het nieuwe normaal zouden worden.

    Maar binnen de staat zouden eventueel mogelijke gunsten kunnen verleend worden aan zich zelf. Wat baat het als een kleine beurs onmiddellijk gehalveerd wordt door de betaling van sociale lasten om hiermee ook een sociale zekerheid mee op te bouwen?

    Hier formuleert de Resolutie van het Europees Parlement van 7 juni 2007 het idee dat SOTA in gedachten heeft: “Herinnert eraan dat alle artiesten permanent hun activiteiten uitoefenen, die niet beperkt zijn tot de tijd die hun zichtbare artistieke vertolkingen of uitvoeringen in beslag nemen; Merkt in dit verband op dat de tijd die kunstenaars aan repetities besteden in alle opzichten effectieve werktijd is en dat het essentieel is om al deze perioden van activiteit in aanmerking te nemen bij het vaststellen van hun loopbaanverleden, zowel tijdens periodes van werkloosheid als voor het bepalen van het pensioenbedrag”.18

    Activiteiten op basis van werkbeurzen of residenties zouden ook in de loonkorf, waarvan sprake, mee opgenomen kunnen worden.

    5. Suggesties voor decreten ministerie van de Federeatie Brussel en Wallonië

    - ...-

    6. Suggesties voor ministerie van economie (fiscaliteit)

    - auteursrechten- Auteursrechten zijn geen vorm van verloning onderworpen aan de sociale zekerheid. Op deze wijze stimuleert men betaling via rechten (want fiscaal interessanter) en duw je heel wat kunstenaars in een oneigenlijke werksituatie waarbij ze door betaling via auteursrechten geen sociale rechten kunnen opbouwen.


    1. UNESCO, Culture and working conditions for artists (2019), p6. https://unesdoc.unesco.org/ark:/48223/pf0000371790 

    2. SOTA is voorstander om het kunstenaarsstatuut uit te breiden naar beide artistieke beroepen. Kunstwerkers zijn technici, maar ook curatoren, artistieke coördinatoren,… 

    3. Op internationaal niveau roept UNESCO in zijn ‘Recommendation concerning the Status of Artists’ van 1980 de aangesloten staten op om de professionele, sociale en economische status van kunstenaars te verbeteren door de implementatie van beleid en maatregelen met betrekking tot opleiding, sociale zekerheid, werkgelegenheid, inkomen en belastingvoorwaarden, mobiliteit en vrijheid van meningsuiting. De Aanbeveling van 1980 roept staten niet op om kunstenaars specifieke privileges te verlenen, maar eerder om hen analoge rechten te verlenen aan elke andere sociaal-professionele groep wiens werk specifieke kenmerken heeft die moeten worden aangepakt door middel van speciale maatregelen. http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13138&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html Bovendien heeft het Europees Parlement op 7 juni 2007 een resolutie aangenomen - European Parliament resolution of 7 June 2007 on the social status of artists (2006/2249(INI) over de sociale status van kunstenaars, waarin de aandacht wordt gevestigd op de problemen inzake sociale zekerheid en inkomsten van kunstenaars, alsook op hun vaak precaire werkgelegenheidssituatie. Het Europees Parlement roept de EU lidstaten op om een wettelijk en institutioneel kader voor creatieve artistieke activiteiten te ontwikkelen of uit te voeren door middel van de goedkeuring of toepassing van een aantal samenhangende en alomvattende maatregelen met betrekking tot contracten, sociale zekerheid, ziektekostenverzekering, directe en indirecte belastingen en naleving van het Europese reglement. Het Europees Parlement roept de Commissie op om een Europees handvest aan te nemen betreffende artistieke creatie en de voorwaarden voor deelname daaraan, op basis van een initiatief als dat van UNESCO, om het belang van professionele artistieke activiteit te bevestigen en de Europese integratie te vergemakkelijken. https://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P6-TA-2007-0236+0+DOC+XML+V0//EN 

    4. Voorstellen van o.a. de Artiesten Coalitie, de MR https://www.mr.be/un-nouveau-statut-dartiste-pour-liberer-la-creation/ en van ACOD: https://www.cultuurkameraad.be/site/wp-content/uploads/2019/04/Voorstel-wijziging-werkloosheidswetgeving-ACOD-Cultuur.pdf 

    5. Website MR https://www.mr.be/un-nouveau-statut-dartiste-pour-liberer-la-creation/ Website Centre Jean Gol https://www.cjg.be/liberons-la-creation-artistique-statut-des-artistes/ 

    6. LINK naar analyse van het MR voorstel door SOTA 

    7. 156 dagen op 12 maanden bewijzen om de specifieke regels voor kunstenaars te verlengen is afkomstig van de gedachte dat de kunstenaar toch al 156 dagen moet bewijzen op 18 maanden om niet verplicht te kunnen worden werk bij te zoeken buiten de kunsten. Maar zoals reeds vermeld, is dit ook voor veel kunstenaars onhaalbaar. Vandaar dat in deze tekst dit als een probleem met de huidige regelgeving gezien wordt dat dient opgelost te worden. Deze controle met de arbeidsbemiddelingsdienst vindt ook niet letterlijk elke 12 maanden plaats, en verloopt bovendien in overleg met een consulent, waarbij er in sommige gevallen begrip wordt getoond voor de moeilijke situatie van de kunstenaar. 

    8. https://www.kunsten.be/en/publications/kunstenpocket-3-d-i-t-do-it-together/ 

    9. https://wp.assets.sh/uploads/sites/4718/2019/12/Samenvatting-Loont-passie_Sociaal-economische-positie-kunstenaars_0.pdf 

    10. Ervan overtuigd dat optreden van de overheid noodzakelijk en urgent wordt om de verontrustende situatie van kunstenaars in een groot aantal aangesloten landen te verhelpen, met name wat betreft mensenrechten, economische en sociale omstandigheden en hun arbeidsvoorwaarden, met het oog op gelijkwaardige voorwaarden bieden aan kunstenaars die nodig zijn voor de ontwikkeling en ontplooiing van hun talenten en passend bij de rol die ze kunnen spelen bij de planning en uitvoering van cultureel beleid en culturele ontwikkelingsactiviteiten van gemeenschappen en landen en bij de verbetering van de levenskwaliteit. UNESCO: “Recommendations concerning the Status of the Artist”, 1980, p2. 

    11. Een tegenvoorbeeld is het Amsterdamse Veem Theater dat in 2016 er voor koos om slechts 100 dagen te openen, omdat ze niet wilden inleveren op de arbeidsomstandigheden en productievoorwaarden van hun kunstenaars. Zie: https://veem.house/EN/info. 

    12. New Zealand-The Pathways to Arts and Cultural Employment (PACE) in: The Status of Artists in Europe, study by EU Parliament’s committee on Culture and Education, 2006, p 92 https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/etudes/join/2006/375321/IPOL-CULT_ET(2006)375321_EN.pdf 

    13. Cijferboek Kunsten 2018 van Kunstenpunt: 50% van de ondervraagde Vlaamse kunstenaars werkte in 2015 zonder galerie en heeft dus geen of weinig toegang tot een markt voor de verkoop van werk, 20 % heeft één galerie (15% daarvan is geen internationale galerie) waarbij verkoop ook beperkt is. Kleinere en middelgrote galleries lijden zelf onder het principe ’the winner takes it all’.https://www.kunsten.be/publicaties/de-vlaamse-kunstmarkt-nationaal-internationaal-en-mondiaal/ 

    14. Studie Flanders DC 2016, zie: https://www.flandersdc.be/en/magazine/the-creative-sector-in-flanders 

    15. UNESCO Recommendation concerning the Status of the Artist, 1980, p4 en p6 

    16. Informatie over het nieuwe kunstendecreet, beslissingen ministerraad 18 december 2020: https://beslissingenvlaamseregering.vlaanderen.be 

    17. https://f-s.collectifs.net/wp-content/uploads/2021/02/Questionnaire-statut-2020__compressed1.pdf 

    18. European Parliament Resolution of 7 June 2007 on the Social Status of Artists (2006/2249(INI)), article 27 and 28